Het begon al met de regen, het eerste waar ze zich die ochtend bewust van werd. Ze hoorde het tikken tegen de ruit en druppelen uit de goot. Arend draaide zich zuchtend nog een keer om. Over drie kwartier zou hij in de auto stappen bij zijn collega. Hij wel.
Ze bleef nog even liggen. Haar man zette het ontbijt altijd klaar. Ze had niks te klagen, dat wist ze heus wel. Dat zou ze zichzelf vandaag ook blijven inprenten.
Arend kwam overeind en kuste haar zacht op haar wang. ‘Het is tijd, lieverd.’
‘I know, ik kom eraan.’
Anderhalf uur later joeg ze de kinderen voor zich uit. ‘Jongens, schoenen aan, jas aan, we zijn al laat en moeten ook nog jullie regenkleding aandoen.’
De jongste jengelde aan haar been, zijn broer bleef staan met zijn armen over elkaar. Dat had ze kunnen weten. Zijn autonomie was heilig voor hem. Even kneep ze haar ogen dicht, telde innerlijk tot tien en sprak hem toen rustig aan.
‘Weet je nog dat je gisteren al helemaal klaar stond, toen we weg moesten? Jij was het allereerste klaar!’
Zijn gezicht klaarde onmiddellijk op. ‘Ik kan het weer heel snel.’ Met wilde gebaren trok hij zijn jas van de kapstok en probeerde zijn armen erin te duwen. Te wild. Ze liet hem maar even. Vijf minuten later stond hij klaar.
Zie je wel, dacht ze weer, hij is best heel lief. Het kan zoveel lastiger dan dit. Als ze alleen al denkt aan de moeder, die ze gisteren sprak over hulpverleners en ziekenhuisbezoeken voor de kinderen…
In de schuur stonden de fietsen dicht opeen, hun sturen in elkaar gehaakt. Met de jongste onder de ene arm, ontwarde ze met haar andere hand onhandig de eerste fiets, zodat die eruit kon. De jongste moest voorop, zijn gezicht in de regen. Het was niet anders. Ze ging de vierjarige nu niet zelf laten fietsen.
De blauwe cape verborg het ventje bijna helemaal. Hij wees in de lucht met een blij gezicht. Zelf trok ze ook een cape aan. De anderen liet ze kiezen. In oeverloze discussies had ze nu geen zin.
Daar gingen ze. Haar fiets vol beladen, twee kinderen ernaast. Dat deden ze toch maar. Het stoere gevoel verdreef heel even de zwaarte in haar benen, waardoor ze maar moeizaam vooruit kwam.
Zodra de kinderen op school waren, ging ze nog snel even de winkel in voor boodschappen. Deze dag voelde altijd als een wervelstorm, waar ze uitgeput uit tevoorschijn kwam in de avond. Zelf de kinderen op school krijgen, al vroeg weer ophalen, iedereen de hele middag thuis, eten koken en rommel ruimen, speelmaatjes, meestal nog wel een bezoekje tussendoor of andere activiteiten.
Haar tas was vol beladen. Ze hees hem op haar schouder, tilde de jongste op het zitje en ging op weg. Het ruisen van regen ging over in een gestage stroom. Haar zicht werd slechter en ze veegde over haar brillenglazen. Het leek wel of ze steeds langzamer ging. Haar lijf was moe. Ja. Maar erger nog was de zwaarte in haar hoofd, die haar neer drukte, waar ze zich elke dag onderuit probeerde te worstelen.
Ze had het recht niet zich zo te voelen! Er waren moeder die om elk kind zorgen hadden. Er waren er die zwanger waren en daar heel veel last van hadden. Er waren er die drie dagen werkten.
Haar benen ploegden de trappers rond en rond en rond in eindeloze herhaling, precies zoals haar leven was.
Een scherpe knap klonk en ineens zakte het gewicht van haar schouder. Het volgende moment hoorde ze dingen vallen en maakte ze een rare zwiep met haar stuur. Gelukkig kon ze zichzelf overeind houden.
Ze stopte en keek naar de grond om haar fiets. Daar lagen tomaten, blikjes, een zak spaghetti, courgette, koekjes en nog meer. Ze bleef er maar naar kijken, alsof het daarmee opgelost zou worden.
‘Nee!’ jammerde ze zachtjes.
De tas bleek niet meer te redden. Een groot gat in de bodem was niet te herstellen. Ze stak haar handen in al haar zakken, terwijl ze tegelijk de fiets overeind hield. Niets, helemaal niets.
Pijn brandde in haar keel. Kon ze maar gaan zitten hier, gewoon even zitten en huilen.
Een man fietste haar voorbij, keek grijnzend van haar naar de grond. ‘Da’s pech, zeg!’
De kleine begon zacht te huilen in zijn zitje.
‘We gaan dit regelen, kleine man’, zei ze zacht tegen hem en toen brak haar stem. Ze trok haar capuchon verder over haar hoofd.
Ze stond daar maar. Haar handen aan het stuur, haar hoofd gebogen. Niets wist ze meer. Niets wilde ze meer.
‘Kan ik je helpen?’ klonk een zachte stem.
Uit haar ooghoek zag ze twee kaplaarzen, wijdbeens aan beide zijden van een fiets. Daarboven een wijde regencape als de hare en onder de capuchon zachte, vriendelijke ogen.
De vrouw kneep haar ogen iets dicht. ‘Jij woont bij mij in de buurt, ik zie je weleens langs lopen.’
Ze knikte. Misschien zag ze inderdaad iets bekends.
‘Minnie.’
‘Oh, ik ben Ilse’, bracht ze uit.
‘Nou, Ilse, we zien wel hoe we het doen, maar die boodschappen gaan thuiskomen bij jou.’ Minnie zette haar fiets op de standaard en begon alle producten in haar fietstassen te stapelen.
Ilse keek ernaar. Ze moest wat doen, dat voelde ze ook wel, maar ze wist simpelweg niet hoe of wat. Het was alsof alle logische gedachten vervlogen waren.
‘Zal ik…?’ begon ze.
‘Niks daarvan.’ Minnie greep nog een blikje en wat groente en legde het bovenop de rest. ‘Het is al gebeurd. Eerst jou met die kleine maar eens thuis krijgen. Gaat het?’
De tranen schoten haar alweer in de ogen. Ze knikte.
Onderweg kletste Minnie aan één stuk door. Ilse wees hun poort aan, zette haar fiets in de nu bijna lege schuur en tilde haar jongen op de arm. Ze liet Minnie binnen om haar tassen te legen en naar het aanrecht over te hevelen. Nog steeds bleven de woorden in haar keel steken.
Sorry, wilde ze zeggen, het spijt me zo. Ik zal u niet langer tot last zijn. Ik red me wel weer.
Minnie klopte haar handen af. ‘Ziezo, dat was dat.’ Ze trok haar hoofd iets in en keek haar scherp aan. ‘Gaat het wel?’
‘Wilt u misschien wat drinken?’ Eigenlijk zag ze ook dat niet zitten. Als ze haar jongen nu neer zette, dan zou hij gaan huilen en het was ook zijn slaaptijd straks, maar Minnie had haar zo uit de brand geholpen, dus ze moest… Ze moest…
‘Geef die jongen maar even.’ Minnie stak haar armen uit. ‘Ik trek zijn jasje uit, dan kun jij ook fatsoenlijk je spullen ophangen.’
De kleine pikte het, lachte naar deze vreemdeling en prikte met zijn vinger in haar mond. Minnie babbelde met hem. ‘Zal tante Minnie jou eens helpen? Kom maar hier met dat armpje. Ja, goed zo! Jouw mama heeft het ook zo druk met jullie. En dan nog voor het huis zorgen en de was doen en de kinderen weer uit school halen. En nog veel meer taken. Maar daar weet jij nog niks van, kleine man. Gelukkig maar!’
Ilse was stilgevallen in haar beweging, de jas nog op haar ene schouder. Ze luisterde en wilde dat Minnie door ging met praten. Het brok in haar keel begon te branden, kwam los en ineens waren daar weer tranen.
Minnie pakte haar elleboog en bracht haar naar de bank, duwde haar daar zacht neer en zette de kleine op haar schoot. ‘Die koffie komt zo wel. Ik ga jouw ontbijttafel even afruimen en een kleine zuigronde doen. Hoe lijkt je dat? Kom jij maar even bij en laat die tranen maar gewoon stromen.’
Ilse keek toe en haar ogen liepen vol en over en de snikken leken uit haar tenen te komen.
‘Goed zo’, zei Minnie tussen het afruimen door. ‘Laat mij hier maar redderen.’
Na een tijdje dwong Ilse zichzelf overeind. De kleine geeuwde hartgrondig.
‘Ik heb straks koffie voor je’, zei Minnie.
En zo zaten ze dik een half uur later tegenover elkaar. De keuken was glad, had Ilse gezien, de ontbijttafel geruimd en alle kruimels en hagelslag opgezogen.
Ilse nam een slok, zocht in haar hoofd naar woorden.
Minnie knikte over haar kopje heen naar haar. ‘Je komt soms handen tekort, niet waar?’
‘Ja’, zei Ilse.
‘En soms weet je gewoon niet hoe je het moet doen, toch?’
‘Ja!’ zei Ilse.
Een diepe rust daalde neer in de stilte.
Na een tijdje stond Minnie op. ‘Dan ga ik maar eens.’
‘Dank je’, zei Ilse. ‘Dank je wel, Minnie!’ Ze liep mee naar de deur.
‘’t Is goed, meissie. En wacht de volgende keer niet tot je tas knapt, oké? Ik woon hier vlakbij. Ik ben maar alleen.’
Even blonk er iets in de diepte van haar ogen.
Ilse liep mee naar de achterdeur, keek toe hoe ze haar fiets pakte, hoe ze opstapte en bijna weer uit haar leven verdween.
‘Wacht’, zei ze. ‘Kom je volgende week weer?’
Minnie deed geen moeite haar glimlach te verbergen. ‘Absoluut’, zei ze, ‘jij komt niet meer van me af. Tot volgende week.’
Ilse liep door haar opgeruimde keuken, langs de lege tafel, over de gladde vloer. Een diepe zucht trilde vanuit haar tenen omhoog en ontsnapte haar.
Lieve mama/papa, wacht niet tot je tas knapt… Je hoeft het niet alleen te doen!






Geef een reactie