Vandaag ging ongeveer zo: mijn kind huilde. Jammerde. Wilde niets. Gooide zich achterover; alle kanten op, behalve de goede. Weg, weg, weg van mama. Zo ging dat. Het andere kind huilde ook, onstuitbaar. Het scheelde niet veel of deze mama deed mee.
Pas sprak ik een andere moeder over heftige emoties bij je kind. Over hoe ik dat trok of juist niet. Al dat huilen van de kinderen kan me ineens zo boos maken. Voor mijn gevoel vanuit het niets.
‘Dat is het meisje in je’, zei ze.
Ze heeft gelijk, dat weet ik ook wel. Er zit in ieder mens een klein kindje met kwetsuren. Want die loopt iedereen op. Soms fluistert je kindje ‘au’ en dan is het belangrijk om te luisteren. Soms schreeuwt het kind het uit. Dat zegt nog veel meer.
Ook ik moet luisteren. Niet boos of aanvallend, maar gewoon luisteren vol liefde.
De kinderen huilden. Ze hadden me keihard nodig, maar het lukte me niet. Ik riep mijn man. Hij heeft ook een kindje, maar die heeft andere kwetsuren. Gelukkig maar.
Nu liggen alle kinderen plat. Ze zijn getroost en geliefd, getroost ook door hun mama. Want na een tijdje kan ik dat weer. Ik ben op de bank gekropen. Ik koester het meisje in me. Dat klinkt zweverig, maar is het niet hoor. Ik ben nogal nuchter. Nee, koesteren is acceptatie, koesteren is aanvaarden.
Ik moet wel. Want de kinderen voelen dat meisje ook, zij kunnen het ook gaan troosten. Maar dan groeit daar een nieuwe kwetsuur, generatie op generatie. Daarom wil ík dit meisje koesteren, zodat ik de kinderen kan koesteren en zij hun kinderen.
Stil maar meisje, huil maar.






Geef een reactie